De laatste dag van Chag HaMatzot: verlossing, vorming en verandering van hart
De Eeuwige heeft de laatste dag van het feest van de Ongezuurde Broden, Chag HaMatzot ingesteld als een sabbat om op die dag samen te komen met een feestelijke samenkomst. Opvallend is dat de Torah niet uitlegt waarom het feest van de ongezuurde Broden zeven dagen duurt. In de joodse traditie wordt de laatste dag vaak verbonden met de doortocht door de Rode Zee.
Over die gebeurtenis lezen we in parasja Beshalach; in Exodus 13:17 tot en met 14:4. De route van het volk was niet toevallig, maar door de Eeuwige Zelf bepaald. Israël moest zich legeren tegenover Baäl-Tsefon, een plaats waar de god van de zee werd vereerd. Zoals de Eeuwige in Egypte al had afgerekend met de machten achter de plagen, zo rekent Hij ook hier af met deze specifieke afgod.
De uittocht en de doortocht door de zee waren machtige daden van verlossing. Ze maakten diepe indruk op Israël en op de omringende volken. Toch zien we ook dat grote wonderen op zichzelf het hart van de mens niet veranderen. Verlossing is werkelijkheid geworden, maar innerlijke vernieuwing blijkt een veel langere weg.
Na de doortocht volgt een bijzonder moment: de eerste samenkomst van het nieuw gevormde volk van God: קָהָל, de kahal of de gemeente. Met Israël trokken daarnaast ook velen uit andere volken mee (Ex. 12:38). Volgens de traditie bestond die gemengde menigte voor een groot deel uit niet-Israëlieten. Dat maakt deze gebeurtenis des te indrukwekkender: hier staat een verlost volk, gevormd uit Israël én uit mensen van buiten Israël.
Na de doortocht klinkt het lied van Mozes, in Exodus 15:1–18. Het is het eerste grote lied dat we in de Bijbel tegenkomen, en waarschijnlijk ook het oudste bewaard gebleven Bijbelse lied. Thema’s uit dit lied keren later terug in de haftarah van deze dag, 2 Samuël 22, en zelfs in de lezing uit de Brit HaChadasha, in Openbaring 15. Daar lezen we opnieuw over een zee en over een overwinningslied, maar nu als het lied van Mozes én van het Lam, van Jeshua.
Toch roept dit alles een vraag op. Als de verlossing zo krachtig was, waarom volgde er dan toch daarna ook nog zo’n lange woestijnperiode? Had het allemaal niet veel sneller gekund? Wellicht dat juist in de woestijn naar buiten komt wat er werkelijk in de mens leeft? Het volk was wel uit Egypte geleid, maar Egypte was nog niet uit het volk verdwenen. Mitsrayim, de plaats van gebondenheid, leefde nog voort in hun denken, hun angsten en hun gewoonten.
Daarom blijkt dat wij niet alleen verlossing nodig hebben, maar ook verandering van hart. Oude patronen afleren is vaak moeilijker dan nieuwe dingen leren. Ook modern gedragsonderzoek laat zien dat verandering van denken en handelen tijd, oefening en volharding vraagt. De mens is niet in één moment innerlijk vernieuwd, ook niet nadat hij bevrijding heeft ervaren.
Dat zien we bijvoorbeeld terug in het onderwijs rondom de sjabbat. De sjabbat leert rusten en vertrouwen dat God zal voorzien in wat nodig is. Toch blijft de mens geneigd tot zorg en controle. Zelfs na de bevrijding blijft het moeilijk om werkelijk te leven vanuit vertrouwen.
In het moderne jodendom is de Omertelling daarom vaak gaan staan voor een geestelijke reis van groei en voorbereiding. De mens wordt opgeroepen om innerlijk te groeien en zich gereed te maken om de Torah te ontvangen. Dat klinkt nobel, en er zit zeker waarheid in. Maar tegelijk schuilt daar ook een gevaar in. Wanneer de nadruk alleen komt te liggen op menselijke zelfverbetering, dreigt het doel uit beeld te raken.
De Omertelling verbindt Chag HaMatzot met Shavuot. De schakel daartussen is de dag van de beweeggarve, het feest van de eerstelingen van de gersteoogst. Juist deze dag geeft de lijn van Pesach naar Shavuot haar diepste samenhang. Vanuit messiaans perspectief verwijst deze eerstelingsdag naar Jeshua, die als Eersteling uit de dood is opgestaan in een verheerlijkt lichaam en Zich aan de Vader heeft gepresenteerd.
Daarom is Shavuot niet zomaar een losstaand feest, maar de voltooiing, de afsluiting, de atzeret van Pesach. Zonder de eersteling is er geen werkelijke verbinding tussen de uittocht en de gave van de Geest. Zonder die verbindende schakel is er uiteindelijk ook geen Pinksteren. Maar mét die verbinding blijkt heel de feestcyclus één groot heilsgeheel te vormen.
De profeet Jeremia gebruikt daarvoor aangrijpende taal. In Jeremia 2 spreekt hij over de liefde van het volk voor God in de eerste tijd, als de liefde van een bruid in de dagen van haar jeugd. Het roept het beeld op van een eerste liefde, een tijd van vreugde na de verlossing. Maar die eerste liefde kan ook verloren raken, zoals we later ook herkennen in de brief aan Efeze in Openbaring (Opb. 2:1-7). Tegelijk zegt God in Jeremia 31:2 dat Hij Zijn volk in de woestijn liefhad.
Juist in dat verband klinkt ook de bekende belofte van het vernieuwde verbond, in Jeremia 31:33: de Eeuwige zal Zijn Torah niet alleen op stenen tafelen schrijven zoals bij de Sinai, maar in het hart van Zijn volk. Voor christenen is dit hoofdstuk bekend geworden doordat deze belofte de naam gaf voor het tweede deel van de Bijbel, het Nieuwe Testament. Maar de inhoud van die belofte is helder: Gods wil moet niet alleen buiten ons staan in steen, op papier of scherm van onze smartphone, maar binnen in ons gaan leven.
En zelfs dan vraagt die innerlijke vernieuwing nog om tijd, overgave en gehoorzaamheid. Uiterlijke gedragsverandering kan best ver komen, maar zonder hartvernieuwing blijft die toch vaak aan de oppervlakte steken. Werkelijke verandering van binnenuit kan uiteindelijk alleen ontstaan door het werk van de Ruach HaKodesh.
Dat merken we ook op in het gesprek tussen Nicodemus en Jeshua, in de periode rond Pesach. In Johannes 3:3 zegt Jeshua dat iemand opnieuw geboren moet worden om het Koninkrijk van God te kunnen zien. Even verder spreekt Hij over geboren worden uit water en Geest. In messiaans perspectief roept dat de lijn op van Pesach en Shavuot: water en Geest, verlossing en vervulling, uitredding en innerlijke vernieuwing.

