site header

Hakel: laat de kinderen komen

In parasja Vajelech staat Mozes op het punt afscheid te nemen als leider. Jozua zal het volk verder leiden om het beloofde land in te nemen. Juist op dat moment regelt Mozes ook hoe de Torah in de toekomst gehoord moet blijven worden. Eens in de zeven jaar, bij het Loofhuttenfeest in aansluiting op het jubeljaar, het jaar van de kwijtschelding, moet de Torah worden voorgelezen op de plaats die de HEER zal kiezen. De opdracht begint met het Hebreeuwse הַקְהֵל: verzamel! Daaraan ontleent deze bijeenkomst haar naam, welke we hier verder met de (Nederlandse) transliteratie weergeven als ‘hakel’.

Wie moeten er komen om te luisteren? Deuteronomium 31:12 noemt achtereenvolgens de mannen, de vrouwen, de kleintjes en de vreemdeling die binnen de poorten woont. Het doel is dat zij horen, leren en ontzag krijgen voor de Eeuwige en de woorden van de Torah in praktijk zullen brengen. Daarmee verbindt de tekst het horen en leren aan de verzamelde gemeenschap; en ook de kleintjes staan midden in die kring.

Wie zijn ‘de kleintjes’?

Het Hebreeuwse woord voor wat we hiervoor hebben aangeduid als kleintjes, is טַף, taf. Het is een verzamelwoord: grammaticaal enkelvoud, maar het duidt een groep aan. ‘Kleintjes’ of ‘kinderen’ is vaak een passende vertaling. Toch legt het woord geen precieze leeftijdsgrens vast. De context waar het is gebruikt laat zien dat het vooral hun afhankelijkheid van anderen uitdrukt.

Het Hebreeuwse tekst onderzoek achter dit artikel brengt 42 vindplaatsen van טַף (taf ) in kaart.1 De vindplaatsen zijn op te delen in verschillende categorieën: kinderen worden meegenomen op reis, gevoed, beschermd, achtergelaten of door geweld bedreigd. Zo laat Farao wagens beschikbaar stellen voor de kleintjes en de vrouwen die naar Egypte zullen komen (Genesis 45:19). Jozef belooft zijn broers dat hij hen en hun kleintjes zal onderhouden (Genesis 50:21). Het gaat meestal om mensen voor wie anderen verantwoordelijkheid dragen.

Dat maakt de vermelding van טַף bij Hakel veelzeggend. De mensen die elders worden gedragen en verzorgd, worden hier uitdrukkelijk verzameld om de Torah te horen. Hun afhankelijkheid maakt hun aanwezigheid des te meer tot een verantwoordelijkheid van de hele gemeenschap. We hoeven daarom niet eerst te bepalen hoeveel een kind zelfstandig kan begrijpen voordat we erkennen dat het erbij hoort.

Het horen komt vóór het weten

Het volgende vers verdient bijzondere aandacht. Deuteronomium 31:13 noemt de kinderen die ‘nog niet weten’. Ook zij zullen horen en leren ontzag te hebben voor de Eeuwige. Onwetendheid is hier het beginpunt van leren. De tekst veronderstelt dus dat er keer op keer weer een nieuwe een generatie opgroeit aan wie het verhaal opnieuw moet worden verteld.

De beweging van de passage is dus: horen, leren, ontzag krijgen en doen. ‘Ontzag’ heeft hier te maken met het ernstig nemen van God en Zijn onderwijzing, zodat het leven erdoor gevormd wordt. Dat vraagt tijd en moeite. Maar het laat ook zien dat de eerste ontmoeting met de Torah nog geen volledig begrip op hoeft te leveren om toch betekenisvol te zijn.

Voor ons roept dit een herkenbare ervaring op. Een kind hoort een vertrouwd verhaal opnieuw, herkent daarin een woord, merkt op dat volwassenen aandachtig luisteren en stelt op een onverwacht moment een vraag. Deuteronomium geeft ons geen uitgewerkte theorie over de ontwikkeling van kinderen, maar de tekst maakt wel duidelijk dat het leren van een volgende generatie begint met haar aanwezigheid bij het horen.

Waarom komen juist zij ook? Een rabbijnse vraag

Juist de aanwezigheid van diegene die het onderwijs nog niet kunnen verstaan, riep bij de rabbijnen vragen op. In de Babylonische Talmoed, Chagiga 3a, wordt een uitleg van rabbi Elazar ben Azarja overgeleverd.2 Hij stelt dat de mannen komen om te leren en de vrouwen om te horen; maar waarom komen dan de kleintjes? Zijn antwoord is zoiets als: ‘Om beloning te geven aan degenen die hen brengen.’ En ook Rasji neemt deze uitleg over als hij Deuteronomium 31:12 bespreekt.3

Het antwoord over beloning vestigt daarmee ook de aandacht op de volwassenen. Een klein kind kan niet zelf besluiten de pelgrimsreis te maken. Iemand moet het meenemen en onderweg verzorgen. Die inspanning telt. Wie ruimte maakt voor een volgende generatie, verricht daarmee iets waardevols, maar het laat de vraag nog open over wat het kind zelf ontvangt. De Joodse uitlegtraditie laat juist op dit punt verschillende stemmen horen.

Kinderen horen, vragen en ontvangen

Ibn Ezra legt een verband tussen horen, vragen stellen en leren.4 Daarmee krijgt het kind een eigen plaats in het leerproces. Abarbanel stelt de uitleg over beloning kritisch ter discussie vanuit vers 13: de Torah zegt immers al dat kinderen zullen horen en leren.5 Hun aanwezigheid heeft dus ook voor henzelf een doel.

Kli Jakar zoekt ruimte voor beide gedachten door onderscheid te maken tussen zeer jonge kinderen en kinderen die al kunnen leren.6 Zo hoeft de verzamelnaam ‘de kleintjes’ niet te betekenen dat ieder kind op dezelfde manier deelneemt.

In de chassidische uitleg wordt ook de betekenis van aanwezigheid zonder volledig begrip verkend. De Sefat Emet spreekt over een innerlijke geestelijke werking bij het kind.7 Maor wa-Sjemesj legt de nadruk op liefde en onderlinge verbondenheid als voorwaarden voor het ontvangen van de Torah.8

Al deze verschillende rabbijnse gedachten, die elkaar aanvullen, vragen aandacht voor de verantwoordelijkheid van volwassenen ten aanzien van het onderwijzen van de kinderen en de gemeenschap.

Een verbond dat generaties omvat

Hakel is geen losstaande instructie maar staat in een breder Bijbels verband. In Deuteronomium 29 worden ook de kleintjes, vrouwen en inwonende vreemdelingen genoemd bij het staan voor de HEER in het verbond. In Jozua 8:35 horen vrouwen, kleintjes en vreemdelingen bij de vergadering waarvoor Jozua voorleest. Deze teksten verbinden het verbond met een gemeenschap die meer omvat dan haar volwassen woordvoerders.

Ook de oude Griekse vertaling, de Septuaginta, is interessant. In Deuteronomium 31:12 staat voor taf de uitdrukking τὰ ἔκγονα: de nakomelingen.9 Die vertaalkeuze vestigt onze aandacht op de verhouding tussen de generaties, maar het geeft daarbij geen precieze leeftijdsgrenzen. Elders gebruiken de Griekse vertalers andere woorden; er bestaat geen vaste Griekse vertaling die iedere vindplaats van taf afdekt.

De zevenjarige herhaling onderstreept het doorgaande karakter van de opdracht. Een kind zal bij een volgende hakel er anders naar luisteren; de gemeenschap hoort dezelfde Torah terwijl haar samenstelling is verandert. Als Mozes in deze parasja afscheid moet nemen, geeft hij de opdracht dat de woorden van de Torah blijven klinken, ook wanneer de eerste toehoorders ervan er niet meer zijn.

Een verbinding met het Tweede Testament

Wanneer we Torah en Profeten in samenhang met het Tweede Testament lezen, komt al snel de gedachte aan Marcus 10:13–16 op. Mensen brengen kinderen bij Jeshua maar zijn leerlingen proberen dat tegen te houden.

Marcus plaatst deze gebeurtenis niet expliciet in het kader van Hakel.10 Wel kunnen we er een thematische verbinding in herkennen: volwassenen brengen kinderen, en anderen bepalen mede hun toegang tot het horen van het onderwijs. Jeshua laat de kinderen bij zich komen en zegent hen. De aanwezigheid van de kinderen bij het onderwijs van Jeshua blijft van betekenis, ook al is hun verstaan daarvan — volgens de volwassenen! — wellicht nog niet volledig. De vraag is namelijk of kinderen juist niet onbevangener zijn en daardoor juist meer openstaan om te ontvangen.

De opdracht van Hakel betekend: ‘Verzamel.’ Daarmee wordt iets wezenlijks zichtbaar: voordat er geleerd kan worden, moeten de mensen eerst bij elkaar worden gebracht. De aanwezigheid van ‘de kleintjes’ maakt duidelijk dat ook zij voluit behoren tot de gemeenschap die de Torah hoort, ook al groeien zij nog in het begrijpen en beleven ervan. En misschien ligt daarin nog een diepere laag. Zegt Jeshua immers niet dat wij juist als de kinderen moeten worden om het Koninkrijk van God te ontvangen en binnen te gaan? (Matt. 18:3; Marc. 10:15; Luc. 18:17).

  1. SHEBANQ query #7334 geeft een overzicht van alle voorkomens van het woord טַף, ‘kleintjes’. Zie ook SHEBANQ query #7328, welke laat zien dat de combinatie van mannen, vrouwen, de vreemdeling met ‘kleintjes’ slechts éénmaal voorkomt in de Tenach. ↩︎
  2. Bab. Talmud, Chagigah.3a.17 (Sefaria). ↩︎
  3. Rashi over Deuteronomium 31:12 (Sefaria). ↩︎
  4. Ibn Ezra over Deuteronomium 31:12 (Sefaria). ↩︎
  5. Abarbanel over Deuteronomium 31:9 (Sefaria). ↩︎
  6. Kli Yakar over Deuteronomium 31:12 (Sefaria). ↩︎
  7. Sefat Emet over Vayeilech 3.2 (Sefaria). ↩︎
  8. Maor VaShemesh Vayeilech.5 (Sefaria). ↩︎
  9. De ‘vreemdeling’ wordt hier vertaald als προσήλυτον, ‘proseliet’, dus als iemand uit de volken die samen met het volk Israël haar God wil aanbidden. ↩︎
  10. Uit de tekst komt niet naar voren dat deze gebeurtenis tijdens het Loofhuttenfeest plaats vond. Dat het desondanks indirect er toch naar kan verwijzen, kan beargumenteerd worden dat Jeshua zijn openbare bediening startte met een proclamatie van Jesaja 61:1-2 (zie Lucas 4:18–21, wat verwijzing naar het jubeljaar bevat). ↩︎

De komende sjabbat begint vrijdag 6 november 2026, 16:05 en duurt tot zaterdag 7 november 2026, 17:54. De parasja voor deze sjabbat is Chayei Sara ("het leven van Sara").

We lezen:

Korte beschrijving:

De dood van Sara en het huwelijk van Isaak en Rebekka.