De eerste hoofdstukken van Genesis behoren tot de bekendste gedeelten van de Bijbel. Toch verbergen vertrouwde vertalingen soms belangrijke kenmerken van de Hebreeuwse tekst. Het Engelstalige artikel Old Roots, New Branches: Translating Genesis 1 for a Messianic-Christian Audience presenteert daarom een nieuwe vertaling van Genesis 1:1–2:3, specifiek gericht op Messiaans-christelijke lezers.
Vertalen voor een bepaalde doelgroep
Iedere vertaling vormt een brug tussen talen, culturen en geloofsgemeenschappen. Daarbij moeten keuzes worden gemaakt, omdat Hebreeuwse woorden en zinsconstructies niet altijd één vanzelfsprekende Engelse vertaling hebben. Deze vertaling probeert de brontekst voorrang te geven boven latere dogmatische interpretaties, terwijl zij tegelijk begrijpelijk en geschikt voor openbare voorlezing blijft.
Bekende Hebreeuwse termen, zoals Elohim, Ruach en mo’adim, blijven daarom bewust herkenbaar. Ook zijn de traditionele indelingen in parasha en aliyot opgenomen. Waar de Hebreeuwse tekst verschillende interpretaties mogelijk maakt, wordt die meerduidigheid zo veel mogelijk bewaard of in een voetnoot toegelicht.
Waarom Genesis 1:1–2:3?
In veel historisch-kritisch onderzoek wordt Genesis 1:1–2:3 verbonden met de Priesterlijke traditie. De tekst legt sterk de nadruk op ordening, onderscheid, heiliging en de inrichting van de tijd. De gebruikelijke hoofdstukindeling onderbreekt deze eenheid echter na Genesis 1:31, bij de schepping van de mens.
Taalkundige, structurele en liturgische aanwijzingen ondersteunen een lezing waarbij het verhaal pas eindigt in Genesis 2:3. Daardoor verschuift het hoogtepunt. Niet de schepping van de mens op de zesde dag, maar de gezegende en geheiligde zevende dag vormt dan de voltooiing van de schepping. Voor Messiaans-christelijke lezers, voor wie de sjabbat een belangrijk bijbels identiteitskenmerk is, heeft deze afbakening bijzondere betekenis.
Opvallende vertaalkeuzes
Het artikel bespreekt verschillende bekende maar vaak onderschatte vertaalproblemen. De openingswoorden bereshit bara Elohim kunnen traditioneel worden weergegeven als “In het begin schiep God”, maar ook als een tijdsbepalende bijzin: “In het begin van Elohims scheppen”. Die tweede mogelijkheid verbindt Genesis 1:1–2 nauwer met Gods eerste gesproken bevel in vers 3.
In Genesis 1:2 blijft Ruach Elohim onvertaald, zodat de mogelijke betekenissen “Geest van God”, “wind van God” en zelfs “geweldige wind” niet voortijdig worden beperkt. Genesis 1:5 spreekt vervolgens letterlijk over “één dag” en niet over “de eerste dag”. Ook mo’adim in Genesis 1:14 wordt behouden, omdat het niet alleen op seizoenen kan wijzen, maar ook op de door God vastgestelde feesttijden.
Bij de schepping van de mens wordt “beeld van God” weergegeven als “weerspiegeling van Elohim”. Daarmee wordt benadrukt dat de mens Gods karakter slechts kan weerspiegelen in verbondenheid met Hem. Het traditionele “heersen” over de aarde wordt daarom vertaald in termen van verantwoordelijk beheer, niet van onbeperkte macht of uitbuiting.
De sjabbat als voltooiing
Genesis 2 vertelt niet eenvoudig dat God op de zevende dag niets meer deed. Hij beëindigde zijn scheppingswerk, maar zegende en heiligde die dag. Juist door die zegening en heiliging werd de schepping tot een samenhangend en voltooid geheel. De sjabbat is daarmee niet slechts rust ná de schepping, maar behoort tot de goddelijke ordening van de schepping zelf.
Deze vertaling wil daarom meer doen dan Hebreeuwse woorden in het Engels weergeven. Zij nodigt uit om bekende teksten opnieuw te lezen, traditionele aannames te toetsen en te ontdekken hoe taal, structuur, Joodse uitleg en Messiaans-christelijke geloofspraktijk elkaar kunnen verhelderen.

