Parasja Ha’azinu (“Luister”) is Mozes’ laatste lied: een poëtische terugblik op Israëls geschiedenis die de verbondsrelatie met God bezingt (Deut. 32). Hij roept hemel en aarde als getuigen en schildert God als de Rots, volmaakte in trouw en recht. Het lied prijst Gods zorg, zoals een adelaar dat zijn jongen draagt, maar benoemt ook Israëls neiging om af te dwalen naar vreemde goden. Mozes waarschuwt voor de gevolgen van ongehoorzaamheid, toch klinkt ook de belofte van barmhartigheid en herstel: God zal zijn volk uiteindelijk niet loslaten, de vijanden oordelen en zijn erfenis vernieuwen, zodat zelfs de volken zullen erkennen wie Hij is.
Aan het einde dringt Mozes erop aan dat Israël deze woorden ter harte neemt en ze doorgeeft aan toekomstige generaties, opdat het volk in het land zal leven met eerbied, gehoorzaamheid en vertrouwen op Gods blijvende trouw.
Schriftgedeelten
Torah: Deuteronomium 32:1-52 en Haftarah: 2 Samuël 22:1-51.
Artikelen
Nog geen artikelen voor deze parasha.
Audio
Deze sjabbat lezen we Parasha Ha’äzinoe, het lied van Mozes als testament voor Israël vlak vóór de intocht in het Beloofde Land. Het bezingt de Eeuwige als Rots en als arend die waakt over zijn jongen. In de Tien Ontzagwekkende Dagen herinnert dit lied ons eraan dat God bereid is te vergeven en terug te brengen wie zich bekeert.
Digital Humanities tools
Een (engelstalige) analyse van deze parasja met gebruik van digitale hulpmiddelen zoals SHEBANQ en Text-Fabric op basis van de Biblia Hebraica Stuttgartensia Amstelodamensis (BHSA)-dataset vindt u hier.
← parasja Vayeilech | overzicht parasjot | parasja Vezot HaBeracha→

