Parasja Va’era (“Ik verscheen”) is de 14e parasja in de Torah en beschrijft Gods herbevestiging van Zijn verbond met de Israëlieten en het begin van de plagen in Egypte. God openbaart Zich aan Mozes en belooft de Israëlieten te bevrijden uit de slavernij en Zijn macht te tonen door een reeks wonderbaarlijke tekenen. De parasja gaat verder met de eerste zeven plagen — bloed, kikkers, muggen, steekvliegen, veeziekte, zweren en hagel — die Egypte treffen, terwijl het hart van de farao hard blijft en hij weigert de Israëlieten te laten gaan.
Schriftgedeelten
Torah: Exodus 6:2(1)-9:35 en Haftarah: Ezechiël 28:25-29:21.
Opmerking: De versverwijzingen tussen haakjes verwijzen naar de nummering in standaardbijbels (zoals de HSV of NBV). De voorafgaande versverwijzing komt uit de Masoretische Tekst (bijvoorbeeld de BHS of de Dasberg-vertaling).
Artikelen
-
Gods sterke hand
Mozes’ roeping markeert een cruciaal moment in de geschiedenis die uitendelijk zal uitmonden in de uittocht uit Egypte. Israël verwelkomt initieel de boodschap van bevrijding, maar wanneer de Farao niet wil toegeven, en hun lijden verergert, wijzen zij Mozes af wordt zijn geloof op de proef stelt. God geeft aan dat Hij zijn Naam zal… Lees meer.
Audio
In Ex. 6:2–8 openbaart de Eeuwige Zich aan Israël als de God die Zijn naam waarmaakt door bevrijding: Hij zal hen wegleiden uit dwangarbeid, redden uit slavernij en verlossen met krachtige daden. Deze sjabbat staan we stil bij hoe Gods karakter zichtbaar wordt in dat verlossingsproces, en hoe wij vandaag Zijn hand herkennen in wat er om ons heen gebeurt.
Digital Humanities tools
Een (engelstalige) analyse van deze parasja met gebruik van digitale hulpmiddelen zoals SHEBANQ en Text-Fabric op basis van de Biblia Hebraica Stuttgartensia Amstelodamensis (BHSA)-dataset vindt u hier.

