In de parasja Sjemot (“namen”), de 13e parasja in de Torah, vermenigvuldigen de kinderen van Israël zich in Egypte, wat de farao ertoe brengt hen tot slaven te maken en het doden van mannelijke baby’s te bevelen. Mozes wordt geboren en, nadat hij in een mand op de rivier is geplaatst, wordt hij gevonden door de dochter van de farao en als haar zoon opgevoed. Als jonge man doodt Mozes een Egyptenaar en vlucht hij naar Midjan, waar hij trouwt en herder wordt. God verschijnt aan Mozes bij de berg Sinaï en geeft hem de opdracht om de farao te vragen de Israëlieten te laten gaan. Mozes, vergezeld door zijn broer Aäron, confronteert de farao, maar deze weigert. Ondanks tegenslagen verzekert God Mozes dat de verlossing nabij is.
Schriftgedeelten
Torah: Exodus 1:1-6:1 en Haftarah: Jesaja 27:6-28:13; 29:22-23.
Opmerking: De versverwijzingen tussen haakjes verwijzen naar de nummering in standaardbijbels (zoals de HSV of NBV). De voorafgaande versverwijzing komt uit de Masoretische Tekst (bijvoorbeeld de BHS of de Dasberg-vertaling).
Artikelen
Nog geen artikelen voor deze parasha.
Audio
In parasja Shemot groeit Jacobs gezin in Gosen uit tot een groot volk, wat onder een nieuwe farao leidt tot verdrukking. Tegen die achtergrond draait de parasja om “namen” en identiteit: Mozes ontdekt wie hij is, en de Eeuwige openbaart Zijn naam en roeping aan hem om Israël uit Egypte te leiden, waarbij Hij ook de benodigde toerusting geeft. Mozes’ leiderschap weerspiegelt de Goede Herder die ons bij name kent en ons uitleidt naar veiligheid en Gods nabijheid.
Digital Humanities tools
Een (engelstalige) analyse van deze parasja met gebruik van digitale hulpmiddelen zoals SHEBANQ en Text-Fabric op basis van de Biblia Hebraica Stuttgartensia Amstelodamensis (BHSA)-dataset vindt u hier.

