Parasha Mattot (“stammen”) opent met wetten over geloften en eden: wie iets aan de HEER belooft, is eraan gebonden; een vader of echtgenoot kan een gelofte van dochter of vrouw alleen op de dag dat hij die hoort ongeldig verklaren, anders blijft zij van kracht (Num. 30).
Daarna volgt de veldtocht tegen Midjan. Onder leiding van Pinchas wordt Midjan verslagen; ook Bileam komt om. Er gelden strikte regels voor reiniging na de strijd, en de buit wordt verdeeld tussen leger en gemeenschap, met een heffing voor de HEER en een deel voor de Levieten (Num. 31).
Tot slot vragen Ruben en Gad, later aangevuld met de halve stam Manasse, om zich oostelijk van de Jordaan te vestigen. Mozes stemt toe, op voorwaarde dat zij gewapend vooropgaan totdat het land aan de westzijde is veroverd (Num. 32). Zo verbindt Mattot woordbetrouwbaarheid, heilige toewijding en onderlinge verantwoordelijkheid.
Schriftgedeelten
Torah: Numeri 30:2-32:42 en Haftarah: Jeremia 1:1-2:3.
Artikelen
Nog geen artikelen voor deze parasha.
Digital Humanities tools
Een (engelstalige) analyse van deze parasja met gebruik van digitale hulpmiddelen zoals SHEBANQ en Text-Fabric op basis van de Biblia Hebraica Stuttgartensia Amstelodamensis (BHSA)-dataset vindt u hier.

