Gods sterke hand

De overgang van parasja Shemot naar Va’era markeert een cruciaal moment in de geschiedenis rondom de uittocht van Israël uit Egypte. De tekst neemt ons mee naar de periode waarin Mozes, na zijn bijzondere roeping in Exodus 3, een boodschap van hoop en bevrijding moet brengen aan het volk Israël. In eerste instantie aanvaardde Israël Mozes’ boodschap met vreugde,1 maar hun hoop sloeg snel om toen hun situatie alleen maar verslechterde. De slavernij, die al ondraaglijk was, wordt nog verder aangescherpt.

Toen Mozes voor de eerste keer farao benaderde met de woorden van de Eeuwige: “Laat Mijn volk gaan!“,2 leek de reactie van Egypte allesbehalve wat hij had verwacht. Farao, arrogant en vastberaden om zijn macht te handhaven, bestrafte het volk Israël door hen te dwingen hun eigen stro te verzamelen,3 terwijl de dagelijkse productiequota van bakstenen hetzelfde bleven.4 De fysieke en mentale last van de slavernij bereikte een breekpunt, en de boosheid van het volk wendde zich af van Mozes. Zelfs Mozes begon, ondanks Gods belofte, te twijfelen en riep uit: “Waarom hebt U dit volk kwaad gedaan? Waarom hebt U mij dan gezonden?“.5 Het laat ons niet alleen zijn frustratie, maar zijn worsteling zien tussen de belofte van bevrijding en de ogenschijnlijk tegenovergestelde realiteit.

Een spanningsveld

Dit spanningsveld is niet uniek voor Mozes. Ook wij worstelen vaak met vragen over geloof en Gods timing. Het is een thema dat zich als een rode draad door de hele Bijbel heen weeft. Van Habakuk, die klaagt over het lijden in zijn tijd,6 tot de Psalmen die vragen hoe lang de HEERE Zijn volk zal vergeten,7 echoot de vraag naar Gods timing en rechtvaardigheid door de Schrift heen. Maar Gods antwoord aan Mozes was geen afwijzing, maar een bevestiging van Zijn plan. Hij verklaarde: “Nu zult u zien wat Ik de farao zal aandoen. Door een sterke hand zal hij hen laten gaan, ja, door een sterke hand zal hij hen uit zijn land verdrijven“.8 Deze woorden waren niet slechts een belofte, maar een krachtige verklaring van de komende verlossing.

De uitdrukking “בְּיָ֤ד חֲזָקָה֙” – met een sterke hand – wordt in dit vers tweemaal herhaald. Dit benadrukt niet alleen Gods soevereine macht, maar ook Zijn vastberadenheid om Zijn volk te bevrijden. In de rabbijnse literatuur wordt deze uitdrukking gezien als een combinatie van fysieke kracht en wonderbaarlijke interventies. Rabbi Storno legt uit dat deze “sterke hand” niet alleen verwijst naar kracht of macht, maar ook naar de wonderen die nodig waren om farao’s verzet te breken. Deze krachtige interventies zouden zowel Israël als Egypte laten zien dat de God van Israël boven alle andere machten verheven is.

En toch zijn met die geweldige belofte niet alle zorgen van Mozes weggenomen. De reactie van het volk, ingegeven door de toegenomen verdrukking, stond hem nog vers in het geheugen. Door de afwijzende reactie van het volk werd Mozes’ twijfel aan het succes van zijn missie alleen maar groter. Hij beklaagde zich voor de Heere en zei: “Als mijn eigen volk niet naar mij luistert, hoe zou de farao dan wel naar mij luisteren?’”.9 Hier zien we in de Tenach één van de eerste keren het gebruik van “qal wachomer”, hetgeen te vertalen is als “Hoe veel te meer”. Het is een rabbijns redeneerprincipe dat letterlijk “licht en zwaar” betekent. Als zijn eigen volk geen gehoor heeft gegeven, waarom zou de Farao dat dan wél doen?

Het antwoord van de Eeuwige op Mozes’ klacht vinden we pas een paar verzen verder, na een ingevoegd geslachtsregister van Mozes en Aäron. In Exodus 7:1 komen we de opmerkelijke woorden tegen: “Toen zei de HEERE tegen Mozes: Zie, Ik heb u voor de farao tot een god gemaakt en uw broer Aäron zal uw profeet zijn.10 Volgens Ibn Ezra in zijn commentaar op dit vers is dit een directe reactie op het eerdere klagen van Mozes in Exodus 6:11. Ibn Ezra meent dat de Eeuwige Mozes zodanig verhoogt dat hij in de ogen van de farao als een engel zal zijn.11 Maar het betekent ook dat Mozes met de autoriteit van de Eeuwige de farao zal benaderen. In de rest van deze parasja, en in de volgende, worden we deelgenoot van hoe de Eeuwige aan Egypte zal tonen dat Hij de HEERE is, zoals we lezen in vers 5, en hoe Mozes dit telkens zal aankondigen.

De (on)zichtbaarheid van de Hand

Wat daarna zou volgen, is een uitwerking van wat we aan het slot van de vorige parasja hebben gelezen. Het verdient om opnieuw te worden aangehaald: “Nu zult u zien wat Ik de farao zal aandoen. Voorzeker, door een sterke hand zal hij hen laten gaan, ja, door een sterke hand zal hij hen uit zijn land verdrijven.” In deze woorden zien we twee keer de uitdrukking ‘sterke hand’ en twee keer een werkwoord in de piel-stam.12 Het was de sterke hand van de Eeuwige die de farao liet handelen: die ervoor zorgde dat de farao hen liet gaan en hen zelfs uit zijn land dreef. Rashi wijst bovendien op het voorzetsel beth vóór יָד  (hand), dat ‘vanwege’ betekent. Hij schrijft: “Vanwege Mijn sterke hand (dat wil zeggen, de sterke hand die Ik tegen hem zal gebruiken), zal hij hen wegzenden.” Dit onderstreept dat het uiteindelijk de Eeuwige zelf was die de farao dwong om Israël te laten vertrekken.13

En hiermee komen we op een bijzonder punt. Aan het begin van de parasja, waar de naam van deze parasja ook naar verwijst, gaat het over het verschijnen van de Eeuwige aan de aartsvaders. Toch wordt expliciet vermeld dat Zijn Eeuwige naam, Jod-He-Wav-He, aan hen niet bekend was.14 Dit roept de vraag op: impliceert dit niet dat wat gaat volgen juist bedoeld is om die Eeuwige naam bekend te maken? Maar hoe wordt die naam dan geopenbaard? Uit wat volgt, blijkt dat de Eeuwige Zijn naam verbindt aan een reeks van reddingsdaden: het uitleiden van Zijn volk van onder de dwangarbeid van de Egyptenaren, het bevrijden uit de slavernij, het verlossen met een uitgestrekte arm en met zware oordelen, en uiteindelijk het aannemen van Israël als Zijn volk, zodat Hij hun God kan zijn.15 En, tegelijkertijd zal dit proces Egypte laten weten wie de enige ware God is.16

En hier kunnen we nog een stapje dieper op ingaan. Op welke wijze toont de Eeuwige zijn sterke hand, de hand die de Farao uiteindelijk bracht tot het laten gaan en uitdrijven van het volk? De schrift is er duidelijk over dat dit gevolg was van Gods handelen. En gelijke tijd zijn er verschillende theorieën geopperd die proberen de plagen van Egypte beschreven in het boek Exodus op natuurlijke wijze te verklaren. Zo wordt wel gesuggereerd dat het water dat in bloed veranderde veroorzaakt kan zijn door een bloei van giftige algen of mineralen, mogelijk als gevolg van vulkanische activiteit zoals de uitbarsting van de Thera-vulkaan. Dit zou vervolgens geleid hebben tot de massale migratie van kikkers uit het water, die op hun beurt stierven en de verspreiding van muggen, luizen en steekvliegen veroorzaakten. Deze insecten zouden besmettelijke ziekten hebben overgebracht op mensen en vee, wat zweren en veepest kan verklaren. Andere plagen, zoals hagel en sprinkhanen, worden toegeschreven aan ongewone weersomstandigheden, terwijl de duisternis verklaard zou kunnen worden door een zandstorm of vulkanische as. Voor de dood van de eerstgeborenen wordt soms gespeculeerd dat een giftige schimmel in opgeslagen graan verantwoordelijk was, waarbij de eerstgeborenen als eersten aten en daardoor het zwaarst werden getroffen.17

Waarom is het goed om zo’n lijst hier in detail te bespreken? In onze postmoderne tijd proberen we graag alles wetenschappelijk te verklaren. De gedachte dat er een God is, die daadwerkelijk ingrijpt in de loop van de geschiedenis, maakt velen in onze samenleving ongemakkelijk. Het is gewoon te confronterend voor ons als autonome mensheid omdat dat verandering en actie van ons zou verlangen.

Maar er is nog een ander aspect dat vooral betrekking heeft op degenen die autoriteit toekennen aan de Schrift. Meestal wanneer we in de Bijbel lezen dat de Eeuwige ingreep, nemen we dat als waarheid aan. En toch, hoe vaak schrijven we de gebeurtenissen in onze eigen tijd of in de wereldgeschiedenis enkel toe aan een samenloop van toevalligheden? Laat ik het wat scherper stellen door enkele vragen op te werpen: Op welk moment zou u, als u in Egypte was geweest, de sterke hand van de Eeuwige hebben herkend in de plagen? Of, later in de geschiedenis, hoe snel zouden wij het decreet van Cyrus (Koresh) hebben geïnterpreteerd, waarin werd bepaald dat iedereen die wilde, mocht opgaan naar Jeruzalem om het huis van de HEERE te herbouwen?18 Bemerken we hierin de hand van God, of zien we het als gewoon iets van een heidense koning welke God niet echt kent?

De Hand in onze tijd

Veel Bijbelgetrouwe gelovigen zullen in de hiervoor gegeven Bijbelse voorbeelden zonder aarzelen de hand van de Eeuwige zien. Maar hoe zit dat met de belofte van de uiteindelijke terugkeer van Israël? Zoals Jeremia 16:14-15 het verwoordt in de HSV: “Daarom, zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat er niet meer gezegd zal worden: Zo waar de HEERE leeft, Die de Israëlieten uit het land Egypte geleid heeft, maar: Zo waar de HEERE leeft, Die de Israëlieten geleid heeft uit het land van het noorden en uit alle landen waarheen Hij hen verdreven had. Ik zal hen terugbrengen naar hun land, dat Ik hun vaderen gegeven heb.”

En omdat deze belofte blijkbaar zo fundamenteel is, wordt ze bevestigd door een tweede getuigenis in Jeremia 23:7-8. Dit roept bij mij een belangrijke vraag op: Als de gebeurtenissen rondom de eerste exodus – de bevrijding uit Egypte – soms worden gereduceerd tot toevalligheden, hoe zit dat dan met deze tweede, nog grotere exodus? Een exodus waaraan de Eeuwige Zijn eigen naam heeft verbonden. Hij heeft beloofd het volk van Israël uit alle landen te verzamelen, iets dat we nu voor onze ogen zien gebeuren? Zien wij hierin de hand van de Eeuwige? Of blijven we vasthouden aan onze neiging om dergelijke gebeurtenissen te verklaren met louter natuurlijke oorzaken?

In dit alles ligt een diepere les besloten: de timing en de wijze van Gods interventies is niet altijd begrijpelijk voor mensen. Zoals Rabbi Samson Raphael Hirsch opmerkt, laat de toename van lijden vlak voor de verlossing zien dat bevrijding niet door menselijke inspanning komt, maar volledig door Gods genade en macht. Dit principe wordt zichtbaar in de opeenvolging van de tien plagen, waarbij elke plaag niet alleen Egypte trof, maar ook een specifieke Egyptische god of kracht belachelijk maakte. Exodus 12:12 benadrukt dat ook: “Ik zal alle Egyptische goden van hun voetstuk stoten, want ik ben de HEER.”19

De tien plagen van Egypte spreken verder van een volledigheid. Het getal tien heeft in de Bijbelse numerologie een bijzondere betekenis: het staat symbool voor volheid of compleetheid. De tien plagen betekenen dus dat Egypte volledig werd getroffen. Net zoals de Tien Woorden symbool staan voor de volheid van de morele wet van God, vertegenwoordigen de tien slagen de volheid van Gods rechtvaardige oordeel en gerechtigheid over degenen die weigeren zich te bekeren.

De tien plagen waren meer dan alleen rampen. Ze waren gerichte oordelen die Gods macht over Egypte en haar afgoden aantoonden. Elke plaag vertegenwoordigde een symbolische overwinning van de Eeuwige over een specifieke Egyptische afgod.20 Bijvoorbeeld: Het water dat in bloed veranderde21 toonde Gods macht over Hapi, de god van de Nijl. De kikkers22 maakten Heqet, de kikker-godin van vruchtbaarheid, belachelijk. De duisternis23 liet zien dat Ra, de zonnegod, machteloos was tegenover de God van Israël. En tot slot de dood van de eerstgeborenen24 richtte zich onder andere tot Osiris, de god van leven en dood, en de farao, die zelf werd gezien als een god. De dood van de eerstgeborenen was een directe aanval op deze goden en toonde aan dat zelfs de farao machteloos stond tegenover de Eeuwige.

Deze plagen laten zien dat de God van Israël niet alleen rechtvaardig is in Zijn oordelen, maar ook dat Hij soeverein is over alle goden en machten van de wereld. Deze lijst toont hoe elke plaag niet alleen een fysiek oordeel was, maar ook een symbolische overwinning van de God van Israël over de Egyptische goden en machten, waarmee Hij Zijn soevereiniteit bewees.


  1. Exodus 4:31. ↩︎
  2. Exodus 5:1 ↩︎
  3. Wellicht was een ongepland bijeffect van deze verzwaring dat de kinderen van Israël zich over heel Egypte verspreidden om stoppels te zoeken (Exodus 5:12). Hoewel dit bedoeld was om de geest van de Israëlieten te breken, zou het ook een belangrijk onderdeel kunnen zijn van het plan van de Eeuwige om heel Egypte bekend te maken met Zijn volk. Later, wanneer het volk uittrekt, sluit namelijk een menigte van allerlei slag (עֵרֶב רַב) zich bij hen aan (Exodus 12:38). Dit meereizen kan moeilijk zonder enige voorafgaande bekendheid met de kinderen van Israël hebben plaatsgevonden. ↩︎
  4. Exodus 5:9-11 ↩︎
  5. Exodus 5:22-23 ↩︎
  6. Habakuk 1:2-3 ↩︎
  7. Specifiek Psalm 13:1-2 ↩︎
  8. Afhankelijk van de Bijbelvertaling is dat Exodus 5:24 of 6:1 ↩︎
  9. Exodus 6:11 (HSV) ↩︎
  10. HSV ↩︎
  11. https://www.sefaria.org/Exodus.7.1?lang=bi&aliyot=0&p2=Ibn_Ezra_on_Exodus.7.1.2&lang2=bi&w2=all&lang3=en ↩︎
  12. Zie deze SHEBANQ query: https://shebanq.ancient-data.org/hebrew/text?iid=6888&page=1&mr=r&qw=q ↩︎
  13. https://www.chabad.org/parshah/torahreading.asp?aid=2492603&p=7&showrashi=true&jewish=Shemot-Torah-Reading.htm. Rashi ziet hier echter ook een sterke hand van de Farao, hetgeen de sterke hand van de Heere natuurlijk niet uitsluit. ↩︎
  14. Exodus 6:2 (HSV) ↩︎
  15. Exodus 6:5-6 ↩︎
  16. Exodus 7:5 ↩︎
  17. Zie bijvoorbeeld: https://historiek.net/bijbelse-plagen-wetenschappelijk-verklaard/7552/ en https://scientias.nl/bijbelse-plagen-zijn-echt-gebeurd/ ↩︎
  18. In Ezra 1:1 wordt aangegeven dat het decreet door de geest van de HEERE is ingegeven. Opmerkelijk genoeg sluit de Hebreeuwse Bijbel af met een weergave van dit decreet om Alija te maken naar Jeruzalem (2 Kronieken 36:22-23) ↩︎
  19. HSV ↩︎
  20. Zie voor een volledig overzicht bijvoorbeeld https://mens-en-samenleving.infonu.nl/religie/53533-exodus-mozes-farao-de-tien-plagen-en-de-egyptische-goden.html of op Christipedia die ook een link legt naar het boek Openbaring https://www.christipedia.nl/wiki/Plagen_van_Egypte. Een uitgebreide (Engelstalige) discussie is te vinden op https://www.academia.edu/74517198/_Against_the_Gods_of_Egypt_Identifying_the_Ten_Plagues ↩︎
  21. Exodus 7:14-24 ↩︎
  22. Exodus 8:1-15 ↩︎
  23. Exodus 10:21-29 ↩︎
  24. Exodus 11:1-12:30 ↩︎

De komende sjabbat begint vrijdag 24 april 2026, 20:36 en duurt tot zaterdag 25 april 2026, 21:55.
De parasja voor deze sjabbat is Achrei Mot-Kedoshim

We lezen:
Torah: Leviticus 16:1–20:27
Haftarah: Amos 9:7–15; Ezechiël 20:2-20; 22:1-16
Brit Chadasha: 1 Korinthe 6:9-20; Mattheus 5:43-48

Korte beschrijving: Achrei Mot-Kedoshim beschrijft hoe God Israël roept tot heiligheid door verzoening, reinheid, rechtvaardig leven en liefde voor de naaste.