Parasja Vayechi (“en hij leefde”) is de twaalfde parasja in de Torah en daarmee het laatste deel van het boek Genesis. Het beschrijft de laatste momenten van Jacobs leven, waarin hij zijn zonen zegent en zijn laatste wensen en profetieën overbrengt, waaronder de bijzondere zegeningen voor Jozefs zonen, Efraïm en Manasse. Jacob vraagt begraven te worden in de Grot van Machpela, naast zijn voorouders, waarmee hij het belang van de familiegrafplaats en het land benadrukt. De parasja vertelt ook over Jacobs overlijden, de uitgebreide rouwplechtigheden en begrafenisstoet. Daarnaast wordt de verzoening tussen Jozef en zijn broers na de dood van hun vader beschreven, waarbij Jozef hen zijn vergeving verzekert. Deze parasja markeert het einde van het patriarchale tijdperk en vormt de aanloop naar de reis van de Israëlieten naar Egypte en de daaropvolgende gebeurtenissen van de Uittocht.
Schriftgedeelten
Torah: Genesis 47:28-50:26 en Haftarah: 1 Koningen 2:1-12.
Artikelen
Nog geen artikelen voor deze parasha.
Audio
Jakob voelt zijn einde naderen en roept zijn zonen om hen te zegenen, waarbij hij terugkijkt op Gods leiding en bescherming en tegelijk vooruitwijst naar “de latere dagen”. Opvallend is ook de zegen over Efraïm en Manasse, waarbij Jakob de jongste verkiest. Na Jakobs dood komt de angst van Jozefs broers opnieuw boven, maar Jozef antwoordt met vertrouwen: God keerde hun kwaad ten goede.
Digital Humanities tools
Een (engelstalige) analyse van deze parasja met gebruik van digitale hulpmiddelen zoals SHEBANQ en Text-Fabric op basis van de Biblia Hebraica Stuttgartensia Amstelodamensis (BHSA)-dataset vindt u hier.

